Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
rieter corneliszoon hooft.
Nu voegt mij wederom te keeren, daar ik acht
Dat mij 't gezelschap der staatsdochteren verwacht,
De hemel die bedauw' uw jaren menigvuldig
Met eindelooze rust.
daifilo.
Wij zijn 't u alle schuldig,
Alwaardige Prinses-, helaas! hoe leed is mij
Dat ons vermogen min dan onz' begeerte zij
De hemel wil uw' staat in eeuwigheid behouwen.
grapilda.
Vaart eeuwelijken wel.
■i;reurzakg van ballingen, op hunnen togttjithet
vaderland naar de vreemdelingscrap.
(Uit het Treurspel: Bate of oorsprong der Hollanderen.)
Deze Treurzang, welke in de Bato door een' rei van Jufvrouwen ge-
zongen wordt, is volgens het oordeel van een' jeronimo de vries en an-
dere bevoegde kunstregters, een meesterstuk van edele poczij. Deftig
en krachtig is de aanvang, ten hoogste roerend en zinrijk de schilde-
ring der'onderscheidene ballingen, die wij in hunnen beklagenswaardigen
toestand als voor oogen zien, en uitstekend gepast en Ttrachtig de ont-
boezeming, waarmede dit gedicht besloten wordt. Behalve door hunne
schoonheid, moeten deze verzen bij den Nederlander ook belangstelling
wekken door den Vorst, die uit zijn Vaderland, t. w. Hessen , moet
vlugten, en voor den eersten Koning der Batavieren wordt gehouden.
Wien zit de wreedheid in 't gebeent'
Zoo diep nu, dat hij niet en weent.
Zeei' waardige, geëerbiedigde. Het karakter van Daifilo wordt
goed volgehouden; zie aanmerking 5. Steeds, altijd. De maat, waarin
dit stuk gesteld is, bestaat uit verzen van 6 voeten (twee lettergrepen
worden een voet genoemd), die met verzen van voet afwisselen;
zulke verzen, die gewoonlijk voor deftige onderwerpen gebruikt worden,
heeten Alexandrijnen. De andere versmaten, die men vervolgens in deze
Bloemlezing zal aantreffen, hebben geen' bepaalden naam, maar wor-
den onderscheiden naar het aantal voeten; zoo is het volgende stukje
viervoetig, dat op bl. 12 drie- en zesvoetig, enz.
(') Het gedicht begint met eene vraag en verkrijgt daardoor dadelijk