Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
PIETEll CORNELISZOON HOOFT. 3
GüANlDA (/ia gedronken te hebben).
Beleefde harder, nooit de Leste wijnen mij
Zoo zeer als deze dauw der frissche bron, bevielen.
Ach wellukzaalge rust van ligt vernoegde zielen
Die nijd noch spijt des hoofs versteurt haar zoete vree!
Wier zorgen wijder niet en weiden dan haar vee.
De lusten, daar zich 't hof met moeiten om beslommert,
Werpt u nature toe en is voor u bekommerd.
Gij trekt door honger en door dorst, uit drank en spijs,
De lust van 'l hof gelokt door zoo veel lekkemijs.
Het hof door drinken dorst, en honger zoekt door 't eten ,
En jaagt de lusten voor u zijn ze toegesmeten-,
't Lustzoekend hof ontvlién de Itisten daar 't om slooft ^
Gij volligt de natuur, wij zien haar over 't hoofd.
Eer zal dit ligchaam in een duister graf vernachten.
Beleefde harder, dan mij gaan uit* de gedachten
Uw wel te passé dienst : en of 't gebeurde, dat
Mijn hulp u nut mogt zijn, in 't hof of in de stad,
Vertrouwt dat mij geen zaak zoo wigtig zal verletten,
Of ik en zal ze om u wel aan een zijde zetten.
omdat i/ y, meent Dai/ilOy door baar beschermd, een gerust en tevreden leven
mogen leiden in onze bossclun en bij ons vee. Men lette vooral op de juiste en
scïïildcrachtige bijnaamwoortlen hierboven. DichterlijV, voor wa-
ter, Granida verheft hier en vervolgens, in fraaije dichtregelen,
het onbekommerde, onschuldige en eenvoudige herdersleven boven liet
soms zoo zeer van de Natuur afwijkende leven aan de Hoven der Ko-
ningen. Men leze en hcrlcze deze regelen, om er het zinrijke van
hooft's dichttrant in op Ie merken. Woordspeling met wijder en
tmden. Dc ISatuur hiedt^ als van zelve, u de vermaken aan, welke de bo-
reling met zoo veel mocitß en verdriet tracht op te sporen. Alleen hon-
ger en dorst, wil Granida zeggen, zijn voor den herder voldoende, om bet ge-
not van eenvoudige sp^s en drank te smaken; aan het Hof daarentegen moet
dat genót door Iclikemijcn te voorschijn geroepen worden; men moet er, door
eten en drinken, een' kunstmaiigen honger en dorst votvekken, Drijft de
genoegens voor zich benen, d. i. kan ze met alle pogingen niet bereikenj
zij bedoelt onschuldige en met de Natuur overeenkomstige genoegens.
C'®) Volgt. Uwe dienst, die mij zoo wel te stade gekomen is; het is de
taal der dankbaarheid, die hier door Granida, niet onaardig, maar we!
wat al te sterk, wordt uitgedrukt.
1 *