Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 PIETER CORNELISZOON HOOFT.
O eedle maagd, gij zult hen zwaarlijk rijden inne,
Zijt gij een aardsche maagd, en anders geen Godinne,
Uw Slem noch aanschijn zweemt geen menschelijk geslacht
GRANIDA.
Voorwaar, alzulker f^) eer ik mij niet waardig acht.
Ik ben Granide, indien 't u liên Lekend is, hoe men
Ten hoof Q hoort de Prinses, des Konings dochter, noemen ;
Dewyl 's gezelschaps spoor u niet en is Lekend,
Zoo Lidd' ik, wijst mij doch, waar dat ik hier ontrent
Om 's heeten middags Lrand een weinig te verfresschen
Uit koele Leek of Lron, mijn' droogen dorst mag lesschen-,
Dat Ceres uw gewas, en Pan uw vee Lehoé.
DAIFILO.
Het bidden laat voor ons, 't gebieden komt u toe
Grootachtbare Prinses! Ziet hier om u te ontladen
Diana moe gejaagd, en zoude niet versmaden
Van deze zuivre bron den kristallijnen vloed.
Al zijn wij harders slecht eenvoudig opgevoed.
En onze zorgen nooit, door hooger vlugts verkiezen,
Ons aangeboren bosch uit haar gezigt verliezen:
Wij w^eten lijkewel dat wij deez' groene laan,
Dat wij de koele schaauw van deze bruine blaan,
Deez' heuA^els vrolijk en dit heldre waters vlieten
En air ons levens lust van 's Konings hand genieten
Bezivaarlijk, met moeite. Of liever geene; de zin is: zoo gij Godin
zijt, dan kunt gij ze wel inrijden. Gij gelijkt in stem en voorkomen op
geene sterfelijke vrouw. Hooft stelt Daifilo voor als een' wellevcnden en
geestigen herder, en vandaar deze en andere hoffelijke uitdrukkingen.
Zoo groot eene, Aan het Hof. In de nabijheid. Verfrisschen,
hier in den zin van afkoelen. De Godin van het graan. De
God van het vee en de herders. Zie aanmerking 5. Ziehier
eene plaats om uit te rusten; ontladen is eigenlijk zooveel als ontlasten.
De Godin der jagt. Helderen; eigenlijk beleckent kristallynen
iels, dat van h'istal, zijnde een doorschijnende steen, gemaakt is; dich-
ters gebruiken dit woord gaanie. Geiimj, in lagen stand. (*') Evenwel.
Daifilo zegt in het voorafgaande: hoewel onze zorgen zich niet verder uit-
strekkeny dan tot het bosch, waarin wij geboren zijn, weten wij niettemin,
dat, enz.; hij drukt dit denkbeeld regt levendig on dichterlijk uit. (*^)Eene
omzetting voor vrolijke heuvels, Wij genieten het van 's Konings hand,