Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
lilERONTMUS VAN ALPHEN. ' 105
Grijpt moed, bedrukte stervelingen!
Loopt bier uw pad door een woestijn.
De schepping zal eens zamen zingen ,
En God in allen alles zijn
ZEGEZANG DER MATROZEN,
na de teroveriny van de Spaansche Zilvervloot,
De gebeurtenis, waarop dit stukje doelt, is te bekend, dan dat
wij daarover iets zullen behoeven te zeggen. Van alphen heeft ook
hier den regten toon getroffen, zonder ili het ruwe en onbeschaafde
te vallen, dat welcens dergelijke liederen minder aangenaam maakt
voor het gehoor.
Hoezee! hoezee! de Spaansche Vloot
Bragt haren rijksten schat
Den Nederlander in den schoot,
Eef 't volk gestreden had.
Wat baten goud en zilver daar.
Waar moed en kracht ontbreekt,
Wanneer men in het grootst gevaar,
In plaats van vechten, smeekt!
(*') Zoo eindigt de dichter, zonder ook maar eenigzins in zijne ver-
hefllng te dalpn; hij blijft zich tot aan het slot gelijk. — Zullen wij
nu, na het lezen van dit gedicht, met zooveel geestdrift en warm
poëtisch gevoel gesteld^ niet moeten toestemmen, dat van alphen alleen
door deze Cantate eene eervolle plaats op onzen Zangberg waardig is?
Voorzeker niemand zal daaraan twijfelen , cn vooral dan niet, wannoicr
hij deze Cantate door eencn deskundige hoort declameren — zij is toch
daartoe uitnemend geschikt — of met muzijk hoort voortdragen. Wij
zeggen derhalve met den bevoegden Kunstregter n. g. van kampen:
'*Van alphen grijpt in dit gedicht het hart aan, en rukt het, door be-
'*8chouwing van het oneindige in de ruimte, tot de hoogste geestdrift
de stoutste hoop weg. Het zou een eenig kunstgenot zijn, den
*'starrenhemel van dezen dichter, in een* stillen zomernacht, iu dc
*'opcne lucht, aan het strand der zee te hooren uitvoeren."