Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
1(54 HIKKONÏMUS VAIN ALI'MF^I.
A, B en C.
Ja ! Orioii is zijn wagen ,
Gij, o Melkweg! zijt zijn pad,
Juicht, wanneer ge Hem moogt dragen,
Die geen starren tot zijn wagen
Noodig had
Koor.
Deze aarde zelv' heeft Hem gedragen;
Zij is de parel van \ heelal •,
In haar schiep jezus welbehagen.
Hij nam haar op in haren val.
Al rollen daar tien duizend zonnen
Rondom het ongenaakbaar licht-,
Hier is zijn levensloop begonnen,
Hij heeft zijn' zetel hier gesticht
Solo.
Gij, Englen, die op starren treedt
Aanschouwt met eerbied onze woning;
Schoon gij met luister zijt bekleed,
Uw Vorst is hier ook Koning;
Wij zijn ook schakels in 't heelal,
En leden van het Rijk, dat eeuwig duren zal.
Koor.
Juich, hemel! juich! de Koning leve!
. Zijn Rijk groeije aan in deugd en magt;
Dat al wat leeft Hem eere geve
Voor 't geen zijn goedheid lieeft volbragt!
In een gedicht over den starrenhemel konden de Melkweg en
de Onon, het prachtigste sterrenbeeld in het zuidelijk halfrond des
hemels, niet worden voorbijgegaan: hoe fraai is de plaats, welke
van alphen aan beide geeft! zij konden in het geheele gedicht, onzes
bedunkens, geene meerdere uitwerking doen dan hier. Stout en
krachtig. Eene verhevene apostrophe.
\