Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
HIERONYMUS YA\ ALPHEN. 1CI
Duet,
A.
Wie kan al de starren meten?
Wie spreekt haar getallen uit-,
Wie haar doel en during melden ,
Of den kring, die haar Lesluit?
B.
Hij, die al wat Hij formeerde,
Met ee'n' wenk regeren kan ,
Noemt de starren Lij heur namen ,
Meet den hemel met een span.
A.
Eeuwig God! onze oogen scheemren ,
Wat is groot, dan Gij alleen?
B.
Eeuwig God! uw magt en goedheid
Drijft de starren voor zich heen.
A en B.
Zonnestelsels! kleine stofjes
Zingt zijn liefde en majesteit!
Ja, een schepsel Gods te wezen.
Dit alreé is zaligheid!
Aria,
Laat dan dit stipje van 't heelal
Een' droppel aan den emmer wezen,
Waar ooit een schepsel wonen zal,
Wordt nimmer God vergeefs geprezen.
Ja, noem deze aarde een niet,
De Godheid hoort haar lied.
(') Van Jes. XL: 12, 15 en 26 wordt hier en vervolgens een gepast
gebruik gemaakt. In tegenstelling van Gods grootheid, worden dc
zonnestelsels met dien naam bestempeld.
11