Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
LICUETIA WIMIELIVIINA VA^ MERKEN.
LUCRETIA WILHELMINA VAN 31ERKEN, tweede echtgenoote
van NicoLAAs snioN van winter, werd gehören, te Amsterdam,
in 1721, huwde niet den zoo even genoemden dichter in
1768,. en overleed, tc Leiden, den 19''®" October van het jaar
1789.
13EM0EI)IGING VOOR LI.)I)EN1)E>.
(Fragment uit het Leerdicht: Ihi Nut der tegenspoeden.)
Dit Leerdicht, .uit 3 Zangen bestaande, is een van de beste, die
wij in onze taal bezitten. Rampen, die de dichteres persoonlijk trof
fen, schijnen haar tot het onderwerp, door haar behandeld, aanleiding
gegeven te hebben, zoo als zij zelve zegt in de woorden : Ik zing, door
druk geleerd, het Nut der tegenspoeden. Het geheel is vol van Christelijke
leeringen en vertroostingen, en munt uit door eene schilderachtige voor-
dragt, die zoowel op ons verstand, als op onze verbeelding werkt. Als ons
bestek het gedoogde, zouden wij gaarne veel uit dit kunstgewrocht
overnemen; thans make men zich eenig denkbeeld van zijne voortreffe-
lijkheid door dit fragment uit den Derden Zang, waarin de godvruci»-
tige zangster lijdenden tracht te troosten en te bemoedigen.
't Verveelt der Godheid niet, dat wij ons leed Haar klagen ,
Dat w^ij Haar, in de ramp, om troost en uitkomst vragen,
Haar liulp verzoeken en, tot mindring onzer smart ,
't Geheim Haar openen van ons bekommerd hart.
Zij hoort naar ons gebed, zet aan het onheil palen.
Vergunt ons ademtogt, vermindert onze kwalen,
Versterkt de zwakke ziel in alle smart en pijn:
Wie kan, als God vertroost, wie kan dan treurig zijn (')?
En zoo 't ontzaglijk leed de krachten dwingt tot w^ijken
En 't ligchaam door 't gewigt der rampen doet bezwijken,
Dan zegeviert de ziel na d'allerzwaarsten nood :
De heilrijke uitkomst is een zegerijke dood.
Die vriendelijke boó (-) van 't gunstrijk Alvermogen
Zal, door zijn blijde komst, al onze tranen droogen.
(') Eene treffende en zinrijke vraag; voor het overige is deze geheele
a.mhef zeer Christelijk en vroom gesteld. (-) Zoo stelle zich elk Chris-