Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
MCOLAAS SIMON VAN WINTKR. Mi)
Hoe ik wandlend op uw' vloed, ^
Voelde uwe ijskorst dreunen, kraken,
Daar de breker C^), naast mij been,
Scheurde uw' glazen vloer vaneen,
't Heugt mij, hoe 't ons kon vermaken,
Reisgenoot, met ros en slee,
Over 't glibbrig ijs te snellen j
'k Zou thans eer de golfjes tellen.
Dan de menschen en het vee,
Die toen woelden, dat toen zwierde
In, en om en door elkaar,
'k Werd nooit grooter pracht gewaar,
Dan die toen dit stroomspoor siei'de.
Vlugge vogeltjes (®)! hoe ras
Gij door 'l ruim der lucht moogt zweven,
Hoe ver ge ons vooruit kunt streven,
'k Zag toen hoe het mooglijk was ,
Dat de mensch, op ijzren vlerken,
U voorbij snelde in uw vlugt:
Mogt hij door eene eedle zucht ,
Uit uw steile vaart bemerken.
Als gij zingend streeft omhoog,
Hoe 't hem voegt, op vlugge schachten
Van verhemelde gedachten.
Op te vliegen uit het oog
Der verganklijke ijdelheden
len en voorts glazen vloer, om de doorzigtigheid en vastheid van het ijs
aan te duiden, zijn welgekozen. C) IJsbreker, een werktuig. Ook
hier weder eene apostrophe; vooral sierlijk en fraai, als zij met het vol-
gende: ijzeren vlerken, in verband gebragt wordt. Dergelijke zede-
lessen, gelijk de volgende, worden in dit Stroomdicht meermalen met
oordeel en verstand ingevlochten, en zijn derhalve niet «af te keuren.
Vergelijk bij dit stukje de beschrijving van het Ijsvermaak op bl. 95 en
96, en merk dan op, dat, wanneer onze dichter voor zijnen voorganger
in kracht moet wijken, hij hem in liefelijkheid en bevalligheid gewis over-
treft.