Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
WILLKM VAN HAREN. 137
't Is de ouderdom. Waar mag hij toch op wijzen?
Wat teekent hij daarginds met zijnen vinger af?
Wat hoop van aarde doet hij rijzen?
'tis 't eind' van alles-, 't is het graf (^o) !
i
Hoe velen is nog min geluk beschoren ,
Die de ijzren armoe fel met scherpe tanden bijt ;
Die nacht en dag bet kermen hooren
Van teeder kind, dat honger lijdt!
Heeft de aarde dan geen voedsel voor ons allen
o Hemel!..... Andren prangt een ligchaamskwaal en doet
Hun 't leven onverduurbaar vallen
In 't midden van den overvloed!
Somwijlen rukt, vóór 't eind' van uwe dagen,
Fortuin uw' staat ter néér, gelijk men, in het woud,
Een' hoogen eik, omvergeslagen ,
Na 't woeden van den wind aanschouwt.
Deze beschrijving van den ouderdom is boven allen lof verhe-
ven ; zij bevat eene hoogst treffende en stout uitgewerkte persoonsver-
beelding, die bovendien zeer levendig en dichterlijk wordt uitgedrukt
met de vragen: Waar mag hij toch, enz., op welke het antwoord krach-
tig en indrukwekkend luidt: 't Is't eind' van allesj is het graf! Nog
minder dan den mensch doorgaans te beurt valt. Van haren be-
geeft zich hier cn vervolgens in eene algemeene beschouwing van de
rampen en ellenden des menschelijken levens, achtervolgens opnoe-
mende : de nijpende armoede, zoo treffend en roerend in een paar
regels geteekend, krankheid des ligchaams, wisselvalligheid der fortuin,
berooving van eer en goed, en eindelijk den dood. (^s) De dichter
wil deze vraag beantwoorden; maar de vele ellenden des levens laten
er hem, als 't ware, geen' tijd toe; er dringt zich dadelijk een ander
denkbeeld aan zijne aandacht op. Dit verdringen van het eene denk-
beeld door het andere is in deze coupletten, waarin hij de ellenden
van het menschelijk leven schetst, zeer merkbaar; — eene dichterlijke
schoonheid, die vooral eenen Lierzang uitnemend te stacTe komt.
('*) Een beeld, waarvan duizende malen is gebruik gemaakt, maar
dat hier, wegens de kortheid, onderscheiding verdient.