Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
13G WILLEM VAN HAHEN.
Nu vlugt de slaap reeds in den vroegen morgen,
Ja, somtijds lieeft de nacht geheel voor u geen rust.
Vermoeden, vrees, wantrouwen , zorgen
Verdooven kennis, ijver, lust.
Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen ,
Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom,
En hoe de staat der stervelingen
Gelijk is aan een' vluggen droom.
Terwijl de vreugde u bloemen schijnt te geven.
Ach! zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een' vrind,
Een vrouw, beminder dan het leven,
Of 't waardste pand, het liefste kind.
Vlugt dan, reis vrij naar afgelegen Staten ,
Zeil door de middellijn naar 't verre Zuiderland,
Hun denkbeeld zal u nooit verlaten,
Het staat, het wacht u reeds op 't strand !
De droefheid is gelijk aan wreede dieren,
Verwoeder dan een leeuw, in netten stijf verward,
Doorknagende als een worm de nieren.
Verscheurende als een gier bet hart
Wie komt daaraan, vermoeid en neergebogen?
Zijn wenkbraauw is gelijk aan 't ingaan van den nacht
De glans der maan is in zijne oogen
Zijn kruin is 't zwerk met sneeuw bevracht
Welk eene stoute persoonsverbeelding! wanneer wij het verdriet,
door naar een ander werelddeel te reizen, meenen te ontvlugten, dan
wacht het ons reeds aan het strand, bij onze aankomst aldaar, op.
Men lette op de onderscheidene krachtige vergelijkingen voor eene en
dezelfde zaak. Zijne wenkbraauw hangt treurig neer, eȕ verkondigt, als
h ware, dat het levenseinde des grijsaards nabij is. Zijne oogen zijn
van hunnen glans beroofd. Zijn hoofd, bedekt met witte haren, is gelijk
aan de lucht met sneeuw beladen.