Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
WILLKM VAN HAREN. 133
Naar 't Rijk der zaligheden,
Doch liet de schulp heneden.
Waarlijk zeer veel schoons, lezer! in zulk een kort bestek! Hoe
oorspronkelijk is de voorstelling, dat Engelen door het dunne wolk-
floers naar beneden zien, om eene ziel te vinden, die voor de Hemel-
sche Heerlijkheid geschikt isj hoe lief en eenvoudig is de beschrijving
van het kind) hoe zacht en bevallig is het neerdalen der Engelen
geschetst, die verblijd zijn margareetje gevonden te hebben, en ein-
delijk, hoe fraai en natuurlijk is hunne blijdschap beschreven over de
gevondene parel, welke zij dadelijk bemagtigen, en die zij vol vreugde
naar boven brengen , terwijl zij de schelp of het ligchaam op de aarde
achterlaten! Inderdaad, door zulk eene lieve voorstelling wordt het
treurige en smartelijke, dat het vroeglijdig afsterven van teedere kin-
deren verwekt, voor het bedroefde ouderhart veel verzacht en ge-
lenigd .
WILLEM VAN HAREN, Grietman van het Bildt, werd ge-
boren te Leeuwarden, denkelijk in het jaar 1710, en overleed,
te St. Oedenrode, in Peelland, den Juny, 1768. Hij was
Lid van de Hooge Staatsvergadering dezer Landen , en Ambas-
sadeur aan het Hof van den toeumaligen Gouverneur der Oos-
(enrijksche Nederlanden, Prins karel va^ lotharingen, ia BrusseL
HET MENSCHELIJR LEVEN.
Ziehier een' Lierzang van den echten stempel, waarin alles krachtig,
verheven en treffend is. — In de eerste helft van dit gedicht worden
de vier onderscheidene tijdperken van 's menschen leven, de kinds-
heid, jongelingsjaren, mannelijke leeftijd en ouderdom, met hunne
genoegens, gevaren, zorgen en teleurstellingen, geschetst. Daarna
weidt de dichter in het algemeen uit over de rampen en ellenden,
die het menschelijk leven oplevert. Ten slotte verheft hij zich met
zijne gedachten tot het Opperwezen, in wiens grootheid hij troost cn
bemoediging vindt bij de onvolmaaktheden van het aardsche. — Wan-
neer er iets in dezen heerlijken Lierzang te berispen valt, dan mag
hel zijn, Hat dc dichter het menschclijk leven hijna alleen van zijne