Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
DÏÏÏK SMITS. 131
Schep moed, wees blij en weltevrecn!
Gij zult uw levenspaadjes
Door de allereélste zalighecn ,
c '
Met zachte rozeblaadjes
En violetjes zien Jjestrooid ;
Smertdorens schaan de kinders nooit
'k Heb nog iets groots voor u gehoord ,
Ei! wil geen onheil schromen
Gods Zoon zegt, door zijn Hemelsch Woord,
Dat gij tot Hem moogt komen ,
Ja, dat het Rijk der zaligheid
Den kindertjes is toegezeid
Hij zendt u zijne boodjes néér,
Met teedre liefdemerkjes
Die Englenvlugt bedekt u teér
Met haar sneeuwwitte vlerkjes-,
Die kust uw rozekoontjes zacht,
En houdt, wanneer gij slaapt, de wacht
Zoet meisje! rust dan vrij gerust-,
U zal geen moeite moeijen;
Mijn echtsieraad! mijn liefstes lust!
Laat u een slaapje boeijen!
Slaap, lusje! slaap, wees weltemoé!
Ik zwijg; — zij doet hare oogjes toe (*').
{") Zin: de smarten en ellenden, die kinderen hebben door te staan,
zijn van zooveel geuigt niel, dat zij hun het leven vei'bitieren; die smart-
dorens gaan nog niet diep; voorts is de verzekering van eene schoone
toekomst in de voorafgaande regels fraai en lief uitgedrukt. De
godsdienstige toon, dien de dichter aanslaat, vermeerdert de belang-
rijkheid van dezen Wiegezang. Zie Mark. X: 13—16. (*») Bewij-
zen van liefde. Hoe bevallig zijn die Engelen en hunne verrigtin-
gen geteekend! Wij kunnen ons niet onthouden, van aan het
einde van dit stukje nog eenige woorden neder te schrijven, die in het
algemeen op de voortbrengselen van onzen dichter en op dezen zoet-
vloeijenden Wiegezang toepasselijk zijn. Zoo zegt de oordeelkundige
9*