Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
DÏKK SMITS.
DIRK SMITS zag het licht, den Junij, 1702, te Rot-
terdam, waar hij eerst geplaatst was op het Wijnkantoor en
later eene Loodwitfahrijk had; in 1746 werd hij aangesteld
tot Commissaris van de Monstering der Oorlogsschepen en
Kommies ter Recherche te Hellevoetsluis, in welke betrekking
hij overleed den 25®»«" April, 1752.
WTEGEZANG OP MIJN DOCHTERTJE.
Er zijn ongetwijfeld weinig Wiegezangen in onze taal, die dit liedje
in geestigheid en ongekunstelde zoetvloeijendheid overtreffen. De op-
eenstapeling van zoo vele aardige en gepaste verkleinwoordjes, het
kinderlijke en toch ernstige, het teedere en tevens verstandigè dezer
regelen, boeit ons geheel. Wij behoeven ons dus gewis niet te ver-
wonderen, dat het lieve lusje, onder het zingen van dit liedje, met
weenen ophield en hare oogjes sloot.
Stil! Stil! lief lusje! sus! ei sus!
Wat slaakt gij droeve toontjes (*)!
Hoe rollen uwe traantjes dus
Langs 't blosje van uw koontjes !
Uw wiegje huist nog geen verdriet;
Waarom sluit gij uwe oogjes niet?
Wat of uw hartje toch beschreit.
Wat doet u zuchtjes geven?
Uw minnelijke onnoozelheid
Leeft nog een Hemelsch leven
Gij zoogt uw lijfje pas vol zog;
Wat deert u? wat begeert ge nog
(•) Men kan het dadelijk in deze beide eerste regels hooren, dat
smits geen' hoogdravenden toon wil aanheffen; en wat zou ook minder
voor een* Wiegezang voegen? Dichterlijk voor blozende koontjes.
{') Voor m uiv wiegje woont, (*) T. w. een leven zonder zorg en kommer.
Deze vraag is zeer naïf, gelijk ook de vraag en teregtwijzing in het
volgende couplet.
9