Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
1 28 \li^OLU HOOGVMET.
O Wondre koopmanschap! o nutte liandeling (*)!
Die uit het spinsel van een wormpje, zoo gering,
Zoo teer, uw' oorsprong hebt•, o wondre, o teedre wormen!
Die vóór uw sterven, vóór 't verandren van uw vormen,
U zelv' een tombe bouwt van zijde, om naderhand
Daaruit te worstlen, om in heerelijker stand
Herlevende, en, gelijk een Feniks, bij het krieken
I3es vroegen morgens, heen te zweven op uw wieken
Hoe dier hoe krachtig zien we ons tot uw' lof verpligt!
Wat openen zich al tafreel-en voor mijn dicht.
Indien 't mij lustte in uw beschouwing uit te weiden!
Het boschgedierte geeft zijn vachten te bei-eiden.
Ten dienste van den mensch in 't killig jaargetij;
De kemel zet zijn haar, het schaap zijn w^ol, hem bij:
Gij, gij, o kleine wwm! moogt met de glorie prijken.
Dat gij gewaden spint voor de edelen en rijken :
Gij, naakte worm! gij kleedt den mensch in rijk gewaad.
Den mensch, bij u zoo groot, zoo heerelijk van staat,
En echter in zich zelv' een aardworm in dit leven
(*) Ilij bedoelt den koophandel, die met zijden stoffen gedreven
wordt. Regels met vele dichterlijke schoonheden! Het is bekend,
dat de rups, die de zijde spint, zich, vóór haren doodslaap, in een
tonnetje of dopje inwikkelt, waaruit zij, na verloop van eenigen tijd,
als eene kapel weder te voorschijn komt j dit tonnetje wordt hier zeer
fraai hare tombe, of haar genoemdj voorts wordt zij uitnemend
gepast bij den Feniks vergeleken, van welken verdichten vogel de
Ouden verhaalden, dat hij zich met zijn nest liet verbranden, uit
welke ascli dan weder een nieuwe Feniks verrees j eindelijk verwekt
het eene streelende gedachte, dat hoogvliet de jonge kapel, bij
het aanlichten der ochtendzon, laat voortzweven op hare vleugelen.
C') Duur, hoog. (*) De vergelijking van het voortbrengsel des zijdeworms
met dat der andere dieren staat hierboven goed op hare plaats,
terwijl de aanmerking, waarmede de dichter besluit, den nicnsch tot
gepaste nederigheid, bij betamelijke bewondering van den grooten cn
liefderijken Schepper, opwekt. "Wil iemand den zijdeworm nader lee-
ren kennen, hij leze, wat martiket, in zijnen Katcchi^mus der Natuur
(.D. lïT, hl. 93, v.v.), over dit diertje heeft geschreven.