Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
1 «-i ARNOLD nOOGVMET.
De lieve vrede en rust, die zoele veldgespelen ,
Gaan nu in dezen oord weer hand aan hand len rei (')
Door 't herdersleger, daar de schelle veldschalmei
Der knapen klinkt door al de lommerrijke dalen,
Daar 't vee zijn hart gerust en vrolijk op mag halen
In versche klaver en zijn' gragen lust voldoen.
Hier treedt mijn Herder met zijn Herderin in 't groen
Op lage broosjes daar de morgenstralen schijnen
Op vloeibre parelen en levende robijnen ('*).
Hij leidt zijn sara met de hand ten heuvel op
En zegt, daar zij het vee zien grazen van den top:
Ai zie, mijn schoone! in welk een vruchtbaar Land wij wonen(^)!
De hoogte is 't best, om u Gods zegen aan Ie toonen.
Zie, welk een' ruimte lands de kudde alreê beslaat.
Zoover gij zien kunt, door de breede beemden, gaat
Ons vee spanseren C^)-, ginds ziet ge onze loeijende ossen
En koeijen grazen in de schaaxiw der eikenbosschen.
Hier vult het wollig vee het klaverrijke dal.
Ziedaar de geilen langs dien frisschen waterval,
Die 't bogtig beekje doel door lager velden vlieten.
Hoe geestig wijken de gezigten en verschieten
Langs gindsche heuvels, daar de kemel 'l oog ontwijkt.
En hangende aan 't gebergte een teeder lam gelijkt!
Hoe tierig is ons vee! hoe huppelen de schapen!
Hoe dartel springt de geit! hoe bezig zijn de knapen
(') Het herdersleger verheugt zich thans weder in het genot van
vrede en rust, daar de oorzaak van twist en oneenigheid tusschen de
herders van abraham cn loth is weggenomen, zie Gen. XIII: 5—12.
Verder merke men op de persoonsverbeelding, waarmede dit stuk aan-
vangt en die uitnemend bevallig isj men kan zich geen bekoorlijker
denkbeeld vormen, dan dat de irede en rust, als twee vriendinnen,
'vertrouwelijk hand in hand ten rege gaan over het veld. P).Hoog\liet
noemt abraham mijn' Herder, omdat hij de hoofdpersoon is van zijn ge-
dicht. (5) Laarsjes. (*) Zoo wordt hier dichterlijk de dauw genoemd,
omdat dezelve als een edelgesteente schittert in de stralen der zon.
Eenvoudig cn bevallig ! C^) Hier begint eene uitmuntende schilde-
ring, waarover wij aan het einde meer zullen zeggen. Wandelen.
(«) Behoorlijk.