Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
IIUBEUT COKNEI.ISZ. POOT. 121
Vork en riek en schop en spade
Zetlén zijne lusten pal
't Zij de welgemeste stal,
't Zij de boomgaard hem verzade-,
't Zij de kruidben niet te loom
Op zijn lage tafel koom'.
Als de lente 't land beschildert.
Als de zomer zweet en gloeit,
Ploegt en spit hij onvermoeid;
Als de winter 't woud verwildert,
Houdt hij den berookten haard
Met zijn vrienden, rond van aard.
't Herfstsaizoen, vooral te danken,
Snijdt hem druiven, perst hem most,
Most, die slechts wat moeite kost :
Hemel waarde wijngaardranken
Vullen dan met wijn zijn ton.
Onlangs schutten ze ook de zon
Want des zomers, na veel zwieren
Neemt hij, om zich goed te doen.
Onder 't loof een slaapje in 't groen,
Daar de vogels tierelieren,
Daar een levendige vliet
Van de steile rotsen schiet.
regels zijn zeer naïf; voor het overige houde men in het oog, dat het
woord wijf thans in den deftigen stijl minder geoorloofd is, hetwelk
ten tijde van poot nog niet het geval was. Een vork met drie
tanden. Beperken zijne begeerten, d. i. doen dezelve den gulden mid-
delweg houden. Groentemand. Hoe dichterlijk beschrijft poot ,
en dat in weinige regels, het kenmerkende van elk jaargetijde: de lente,
die met hare kleuren van bloemen en bloesems de Natuur versiert,
stelt hij voor onder den persoon van een' schilder j den zomer onder
dien van een' arbeider, die zwaar werk moet verrigten; den winter onder
het beeld van een* ruwen gast, die de Natuur van hare schoonheden
berooft, en eindelijk den herfst als eenen milden schenker van den
wijn, die 's menschen hart verheugt. Hemelsche, d. i. voortreffe-
lijke. De landman heeft een dubbel genot van den wijnstok j hij
maakt gebruik van deszelfs vruchten, eh beschermt zïvh door deszelfs
loof voor dc slralcn der zomerzon. Ilondloopev, arbeiden in Het veld.