Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
HUBEKT COUNELÏSZ. POOT. 111)
terwijl Inj ons eindelijk eene treffende beschrijving geeft van de werk-
zaamheden en vermaken des akkermans.
Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gerusten landmans heen (*),
Die zijn zalig lot, hoe kleen.
Om geen Koningskroon zou geven!
Lage rust braveert den lof
Van het hoogste Koningshof.
Als een boer zijn hijgende ossen,
't Glimpend kouter door de klont
Van zijn' erfelijken grond,
In de luwt der hoogste bosschen
Voort ziet trekken j of zijn graan,
't Vet der klei, met goud belaan
Of zijn gladde mellekkoeijen
Even lustig, even blij,
Onder 't grazen, van ter zij,
In een bogtig dal hoort loeijen
Toon mij dan, o arme stad!
Zulk een' wellust, zulk een' schat.
Welige akkers, groene boomen,
Malsche weiden, dartel vee, •
Nieuwe boter, zoete mee,
Klare bronnen, koele stroomen,
Frissche luchten, overvloed,
Maken 't buitenleven zoet
Laat een' koopman koopmanswaren,
(») De aanhef is op den toon gesteld van hooge ingenomenheid met
het onderwerp, welke zich terstond tracht te ontboezemen : aan het
fraaije rollen van het leven hoort men dadelijk den dichterlijken landman,
die zijn gerust en kalm leven bij een' over het veld zacht voortrollen-
den wagen vergelijkt. (2) Trotseert, tart uit. Beschutting. (*) Fraai
gezegd voor met gouden aren beladen. Dat bogtig dal, met gladde
melkkocijen, is een uitnemend schilderachtige trekj aan zulke kleine
trekken erkent men den meester. Het is wel de moeite waardig,
met naauwkeurigheid al de epitheta of bijvoegelijke naamwoorden na
Ie gaan, die hierboven en in dit geheele stukje voorkomen; gewis,
rr straalt veel kunst en dichterlijk vernuft in door.