Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
118 HUBERT CORNEUSZ. POOT.
Ik leef tol heden van den arbeid mijner handen
Al stug van barstend eelt, 'k moet zweeten voor den kost,
Die nog maar weinig kost zoo bouwen wij de landen.
Van 'smorgens vroeg, totdat ons de avondstond verlost.
En stille rust bestelt voor de afgematte leden,
Terwijl 't gedoken licht de gouden starren wekt
Hoe blij vervolg ik dan mijn Letterbezigheden,
Eer nog de logge slaap mij met zijn leden dekt (**) !
Ik ben nog jongC^)-, maar heb de Dichtkunst lang geprezen,
Waarin ik, wild en woest bij wijlen iets begon,
Tot hooft en voivdel mij hel beste dichtspoor wezen
Och! of mijn trage vlugl die zwanen volgen kon
HET AKKERLEVEN.
Poot bezingt in deze diciitregelen een onderwerp, dat liij uit eigcno
ervaring kende. Bevallig en met levendige kleuren, schildert hij ons
het genoegelijke van het landleven af, waarmede hij vervolgens het
ongeruste koopmanslevcn en de drokke pleitzaal in tegenstelling brengt,
(5) Harrf. Woordspeling metten, die nog maar weinig kost; wiXze^^en,
die mij nog maar op weinig geld te staan komt, en derhalve zeer eenvoudig is.
Een fraaije dichterlijke regel. Zoo kocht poot den tijd uit,
die hem van zijne werkzaamheden overschootj een bewijs, inderdaad,
dat de Dichtkunst, ofschoon eene gave zijnde van de Natuur, veel be-
schaving en oefeïiing vereischt. (") Toen de dichter dit sciueef, was
hij 25 jaar oud. D. i. niet naar de regelen der kunst. Heil
eiken jeugdigen zanger, die, zoo als poot, van alle waanwijsheid ver-
wijderd, zijnen aanleg door de voortbrengselen van beroemde meesters
tracht te volmaken, maar die dan ook geen slaafsche navolger wordt
en zijne oorspronkelijkheid bewaart! Eene bede, die bij onzen
dichter uit het hart oprees, en niet geheel onverhoord gebleven is.
De nederige gedachte, die hij van zijne bekwaamheid koesterde, geeft
hij fraai te kennen door de woorden: trage vlugt (zwakk-e en onvolkomene
dichttuijze), in tegenstelling met de vlugt [de verhevene cn geoefende dicht-
wijze) der zwanen. Wijders denke men hier aan lietgene van de ^wa-
nen verhaald wordt, dat deze namelijk eenige oogenblikken vóór ha-
ren dood een liefelijk gezang aanhelTen, vanwaar dichters leenspreukig
bij haar vergeleken worden; zoo wordt onder andere yondel, naar
zijne geboortestad Keulen, welecns dc Agrippijnsche zwaan genoemd.