Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
IlUBliKT COUNELISX. POOT. 117
KEKS.
Wel, als jelui 'et zeker weet,
'Et scheelt mijn waarlijk niet een' beet.
Ik wil wel Keuning zijn en je allegaar regeren
IIUBERTCORINELISZ. POOT werd geboren den Januarij,
1689, te Abtswoud, eene buurt tusschen de stad Delft en het
dorp Ketel, en overleed, te genoemder stede, in het jaar 1733.
lüj was Landman in zijne geboorteplaats tot aan het jaar 1723,
waarin hij het landleven vaarwel zeide en te Delft ging wo-
nen. Maar in het volgende jaar keerde hij weder tot zijn lan-
delijk bedrijf terug, hetwelk voor de tweede en laatste maal
met het stadsleven verwisseld werd in 1732, een groot jaar
vóór zijnen dood.
KENSCHETS ÜES DICHTERS.
(Fragment.)
Ora tc doen zien , hoe poot zich zelven achilderde, hebben wij uit
een' zijner Voorzangen de volgende regels afgeschreven. Onopgesmukt en
eenvoudig is de beschrijving van zijnen stand en van zijne liefde tot
tle Dichtkunst.
Al is het noodeloos de dichtpen dies te vatten.
Zoo gun mij evenwel, dat ik mij kennen doe (*).
'k Ben poot, eens landmans zoon, misdeeld van rijke schatten :
De dartele fortuin keert mij den rugge toe
^-
dwaasheid van gedroomd te hebben, dat hij boer was; Kees was im-
mers Alexander. (^5) Zoo eindigt het koddige stuk, hetwelk men van het
standpunt onzer oude Blijspeldichters moet beoordeelen, en dat alsdan
ongetwijfeld vele andere stukken in die manier zal overtreffen.
{') Hoewel het eigenlijk de moeite niet waardig is, om over mij zelven tc
.spreken, zegt voot tot den lezer, zij het mij evenwel vergund, enz, (®) 's Mans
nederigheid komt hier terstond, gelijk vervolgens in deze regels,
fraai uit.