Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
wa pieter langenduk.
Daar dient intijds voor liem gewaakt.
kees.
Zeg, lioe Lin ik hier ingeraakt?
FILIPPIJN.
Geef mij uw hand, mijn Vorst! ik zal uw'pols eens voelen
kees.
Wat ben jelui voor volk?
FILIPPIJN.
Gij moet zoo sterk niet woelen.
Een heete damp, die uit de maag
Komt rijzen, baart u deze plaag;
Als gij u stilhoudt, zijt gij -maklijk te genezen.
kees.
Ik ben 't niet, die je mient, Doctoor! hoe zei het wezen?
{Beide treden af; kees alleen^
Ik loof het is beur in de hersentjes 'eslagen.
Of zou ik ook een Keuning zijn
En weten 't niet? dat heit geen' schijn
Had ik 'et ooit 'eweest, ik zou er wat of weten
Men naam is ummers Kees? —wis, 't is me niet vergeten
Men eige wijf hiet ummers Klaar?
En Lou\\> de melkboer was men vaar?
Wel ja, hoe ken ik dan, terwijl ik leg te droomen
En zongder dat ik 't Aveet, een Keuningdom bekomen?
Maar zacht, ik heb de zaak 'egist (^o):
Heur Keuning is misschien 'emist
En ik zei meugelijk die Keuning net gelijken.
Ik zei me houwen of ik 't bin
Een groot deel van de aardigheden in dit stukje is ook hierii
gelegen, dat de Hovelingen, op 's Konings vragen, in het eerst telken
keer het antwoord schuldig blijven , en doen alsof zij ze niet hooren
Geloof. (*') Dat is 'toch niet heel waarschijnlijk. jk ^ok er mj
wel iets van herinneren. Kees redeneert hier zeer juist. Mijn. (^O) Ge
gist, ik ben er achter. Gemist, d. i. vermist. (-2) Die oolijke Krelis
Zijne geheele alleenspraak is allerkoddigst, omdat hij alle krachten vai
zijn geheugen inspant, ten einde zich duidelijk en klaar voor te stel-
len, dat hij niemand anders is dan Kees Louwen.