Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
1 1 ii pikter langendijk.
waken, als alexandeb de Groote wordt aangesproken. De verbijstering van
den boer, de onnoozele en naïve vragen, die hij aan zijne gewaande Hove-
lingen en Veldheeren rigt, en eindelijk het welgevallen, dat hij in zij-
nen nieuwen stand begint te krijgen; dit alles doet zich bijzonder kluch-
tig voor. Niemand ergere zich er aan, dat de dichter juist een' boer
tot held van zijn Blijspel gekozen heeft; immers Krelis was, gelijk uit
het stuk blijkt, een van die menschen , welke zich boven zijn' stand
wilde verheffen, en wien, met medeweten zijner vrouw, deze poets werd
gespeeld, om hem van zijn' dwazen hoogmoed terug te brengen. —
Verder boude men in het oog, dat de vinding zeer aardig is, om den
boer tot alexander den Grooten te maken; de goede Kees steekt, gewis
buiten zijne schuld, zeer af bij den, door zijne dapperheid, grootheid van
ziel en veelvuldige overwinningen, zoo beroemden Macedonischen Koning.
kees (opstaande en verwonderd rondziende).
Waar bin ik? droom ik ook? ja wel,
Ik weet niet wat ik denken zei
Ik bin nou wakker, en ik slaap niet meer, zou 'k mienen
Wel ja, 'k bin wakker: ik sta immers op men bienen
'k Bin wel te weten wakker Maar
Wat is bier alle dingen raar !
Wat is dit een mooije weuning p),
't Lijkt wel een kamer van een' Prins of van een' Keuning!
Hoe kom ik op dut mooije bed?
Wie drommel beit me bier 'ezet C^)?
o Pinpernikkel hoe bin ik hier in 'ekomen?
Ei bin ik gek , ik leg nog op mijn bed te droomen.
pieter {een van de dichters^ zich uitgei>ende
voor hefestion, v Kojüngs boezemvriend),
'k Kus met eerbiedigheid de koninklijke voeten
(*) Zal, Kees blijft ook als alexander de Groote nog bij zijn gewone
platte volksdialect; hot stuk wint daardoor in naïviteit, vooral als men
de hoffelijke taal der Hovelingen met die van Kees vergelijkt. Mee-
nen. (5) Immers op mijne beenen. De herhaling van: ik ben toch
wakker, en dan vooral het laatste: 7; ben zvel te weten wakker, als wilde
Kees zich geheel overtuigen, dat hij niet meer sliep, is zeer aardig.
(5) Woning, vertrek. Dit. Heeft mij hier opgelegd. Een plat
woord, om zijne verbazing uit te drukken, het zal zobveel zijn als
pompernikkel, het zwart brood der Westfalingers.