Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
110 JAN lïAPTlSTA WEU.EKENS.
Helaas! wie lielpl mij klagen?
Maar wie verbaast zicli, dat een' bloem,
Hoe schoon, hoe eél, hoe rijk van roem,
Werd door een hagelbui geslagen !
Lycoris! zijt toch niet bedrukt:
Ze is niét geslagen, maar geplukt
Door hares Scheppers handen,
Eer dat een spin of vuil gediert'
Haar zuivre blaadjes heeft ontsierd,
Of middagzon haar deed verbranden.
Zij is geplukt, om weer verplant
Te worden in het Heilig Land^
Daar zal zij eeuwig bloeijen.
O Zalig bloempje! wie benijdt.
Dat gij altijd gelukkig zijt,
Nu 's Hemels dauw u zal besproeijen?
Lycoris! wilt ge uw bloempje weêr?
Of wilt gij 't laten bij den Heer,
Die 't beter zal dan gij bewaren?
Die keur, dunkt mij, vereischt geen' raad.
Zoo, zoo: herstel uw blij gelaat,
Haar welstand moet elk vreugde baren.
Laat ons hier in ééne aanmerking ter nederschrijven, wat ons, onder
het lezen van dit stukje, als het meest belangrijk is voorgekomen.
De dichter stelt het gestorven Hozelijntje voor onder het beeld eener
bloem. Eerst zegt hij, als van droefheid overstelpt, dat de bloem ge-
knakt en ter aarde neergeslagen is; maar in het volgende couplet trekt
hij dit woord weêr in, om de moeder te troosten met het liefelijk
denkbeeld, dat het bloempje door God geplukt was; dit vertroostend
denkbeeld werkt hij vervolgens nog meer en fraaijer uit, door in het
derde couplet het bloempje te schilderen, als verplant in den Hemel,
waar het zich nu vrij kan ontwikkelen j op deze schildering laat hij de
hartroerende vraag volgen, waarmede hij dit versje besluit. Er zijn
niet vele gedichtjes, in welke een bekend en dikwijls voorkomend
beeld door de nieuwe en smaakvolle wijze van behandeling, zoo veel
treffends verkrijgt.