Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
lO-i KASPEU EN .lOVNNES BRANDT.
Te lorschen zulk een' lasl van zware zeekasteelen :
Gesmaldeeld drijvende den vijanden op zij,
Nu van, dan bij de wind, nu loefwaart, dan aan lij.
Men schiet en scheurt, wat om en bij is, fluks aanflentren:
De een geeft de volle laag, een ander past op 't entren,
Een derde springt (hier is geen open voor de vlugt)
Door eigen kruid, en kiest voor 't graf de ruime lucht.
De bange brander woedt in 't midden van het water
Het stoutste hart verschrikt voor 't gruw'elijk geklater.
Daar vliegen been en arm en merg en brein en bloed.
En zwindien C^) ondereen: den dappren valt de moed
Niet eer dan 't leven : 't bloed der braven stremt in de aren
Het oorlogsvuur sist uit al tintlende in de baren.
Dus stond de Noordzee meer dan eens in lichten brand:
De weerschijn flikkerde op het een en 't ander strand
('*) pe golven zullen zich weldra op die zware kielen wreken, door ze
in haren schoot te verslinden. In afdeelingen gerangschikt, naar de re-
gelen der zee-krijgskunst. Inderdaad, heerlijke regels, die alleen vol-
doende zijn, om ons het verschrikkelijke van een' zeeslag voor de
verbeelding te brengen. Een ieder zal dadelijk , wanneer de dichter
zegt: een derde springt, enz., aan den heldendood van claassens den-
ken, door HKLMERS ZOO schoon bezongen. Dtvarlen. C^) Mannelijk
en ferm! Onze de ruijters , trompen en van galen hebben de waar-
heid van dit gezegde bewezen. Een bij uitnemendheid stout en
schrikkelijk verheven slot. Wat zou onze verbeelding zich ijsselijker
kunnen voorstellen, dan de geheele Noordzee als in lichtelaaijen brand
staande, waarvan dc vlammen op de kusten van Engeland en ons
Vaderland weêrkaatsten ? — Wij onthouden ons met opzet van deze
en gene aanmerking, die wij nog bij dit stuk konden voegen, omdat
het een en ander, dat wij bij de beschrijving van rotgans aanteeken-
den, ook liier van toepassing is. Men zal wel doen, beide stukken
met elkander te vergelijken en op de overeenkomst tusschen beWe
de aandacht te vestigen.