Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
KASPEU EN JOANNES BRANDT. 103
En eigen' wil gestadig halen;
Bewaar mij staag voor zielverraad;
Laat altoos hier mijn lampe branden
Om in de schipbreuk nooit te stranden:
Zoo blijf ik staan, als 't al vergaat
liESCIIIlIJVlNG VAN EENEN ZEESLAG.
»
In de Werken van Joannes krandt komen nu en «lan uitstekend fraaije
schilderingen voor, waaronder ook de volgende beschrijving behoort.
Hij heeft het akelige en ontzettende van een' zeeslag zoo weten te tref-
fen, dat elk, die een gevoelig hart bezit, niet ongeroerd bij zijne schil-
dering blijven kan. Wijders moge dit stuk tot een' tegenhanger dienen
van de beschrijving, die ons door rotbans, op bl. 97, v.v., is ge-
geven.
Al't aardrijk wordt te naauw voor zoo veel bloed en moord.
Eerlang wordt zelfs ter zee de krijgsklaroen gehoord (*).
Dan krimpen berg en duin en dalen in elkandren (f).
Op zulk een' weergalm moet de zee in veld verandren;
Ja de eene golf bruist taai uit droefheid de andre toe,
Of duikt ineen, vervaard voor geeselzweep en roé,
Op haren rtig gemunt 't zal ijlings haar vervelen
Laat mij altijd waakzaam zijn; zinspeling op de gelijkenis van den
Heer, bij Matth. XXV : 1—12. Wij merken nog aan tot lof de-
zer dichtregelen, dat brandt van de beelden en uitdrukkingen, waar-
mede het laatste oordcel en het vergaan der wereld in het Nieuwe
Testament beschreven worden, een verstandig en smaakvol gebruik
heeft gemaakt. Wee den dichter, die zich, bij het behandelen van
dergelijke onderwerpen, niet aan de beeldspraak en de taal des Bij-
bels houdt, en alleen op de wieken zijner verbeelding meent te
kunnen drijven! Hij zal óf te hoog vliegen, óf lager vallen, dan hij
raamt,
(*) Zin : Even alsof het vaste land te klein is voor den krijg, wordt nu
ook de zee in een oorlogsveld herschapen. (') ?»anielijk ia» vrees en ont-
zetting; eene stoute persoonsverbeelding. Wederom eene stoute per-
soonsverbeelding: de golven durven zich uit angst niet meer laten hooren, cn
zien bang en zwijgend, als tvaren zij vervaard voor kastijding, de slagting aan-
linmcn.