Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
10^ KASPfcll KN JOANNES mUNDT.
't Onkreukbaar regt gaat zijnen gang.
Waar bergt men zieb in rotsspelonken
Wie blusclu de nimmer lesclibre vonken?
Dit endloos end valt veel te bang.
De deugd alleen, weleer verschoven,
Beschimpt als dwaze sufferij, ^
Beschouwt haar hoogtijd van nabij,
En steekt vernoegd het hoofd naar boven
Haar lastig renperk is volendj
Haar liefdewerken zijn de pennen,
Om vlug door 't blaauw azuur te rennen
Naar 't Englenhof, haar toegekend. —
o Wenschlijk — o beklaaglijk scheijen
Daar 't menschdom, fins zoo naauw gepaard,
Ten Hemel of ten afgrond vaart:
Hoe gaapt de kloof hier tusschen beijen!
Gena, o God! gena, genal
Bestier mijne afgedwaalde zinnen
Om u met diep ontzag te minnen,
Eer wet en wetboek openga
Leer mij 't vergankbre vroeg verlaten.
De vierschaar spannen in 't gemoed
De zonde, bitterder dan roet,
verheven denkbeeld der Goddelijke regtvaardigheid, bij welke geen aan-
zien is des persoons, stout wordt uitgedrukt. De toestand der god-
<leloozen wordt hier het eerst en daarna die der regtvaardigen beschre-
ven. Hoe fraai en liefelijk is de laatste geteekend ! Nieuw is het denk-
beeld, waardoor de dichter van de liefdewerken vleugelen maakt, met
welke de deugdzamen zich naar het verblijf der Engelen verhefifen.
Blcn lette op de .schoone persoonsverbeelding van de dengd, in deze
regels voorkomende. Wenschelijk voor de deugdzamen, beklagelijk
voor de boozen. Kort te voren. (^O) Dit doelt op Luk. XVI: 26.
(=*) M'ie, die met den dichter gevoelt, zal niet gaarne dit gebed
op zijne lippen nemen, en hetzelve tot het zijne maken ? {") De woor-
den eer de wet opengaat, beteekenen: eer de wet in haar geheel wordt ten
uttvner gelegd. D. i. leer mij mij zelven onrdeelfn.