Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
!)8 rUCAS ROTGANS.
Door de open wonden uit. Drogeda's (®) nniren Leven.
De paardsLoef draaft in 't stof, of glipt op 't Lloedig spoor
Men houwt, men stoot, men lost pistolen en karLijnen.
Men (') ziet den dag doordamp en Luskruidsmook verdwijnen;
Een wolk van stof Lekleedt het wezen van de zon.
Hoe loeit de donder van 't vernielende kanon
De wereld slingert van baar losgeLorsten assen ,
En zwelgt het laauwe Lloed in 't lijf Lij gansche plassen.
Het weerlicht reis op reis ^ de Lliksem van 't metaal
Verdort de groene spruit, en zengt de velden kaal.
De Lodem ligt bedekt met trommen en trompetten,
Met piekerr, klingen, met pistolen en musketten,
In 't vlieden over 't veld geslingerd of door 't lood
Geklonken uit de vuist Q^), — Hier spookt de nare dood.
De lijken groeijen door de saLels op de velden.
Hoe rolt de doodkreet uit den Lleeken mond der helden
willende aanduiden. Voorts verdient de schilderachtige beschrijving van
den dood des van zijn paard gestorten ruiters niet onopmerkzaam
voorbijgegaan te worden. Drogeda of Drogheda, eene stad aan de Boyne,
in de nabijheid van het slagveld. De herhaling van het voornaam-
woord men, oordeelkundig bijgebragt, vermeerdert den nadruk; karabijn
is een geweer, dat door de ligte ruiterij gebruikt werd. (®) Het gelaat.
Een treffende regel, die ons, als 't ware, geheel op het slagveld
verplaatst. Het schijnt, alsof de wereld, d. i. de aahde, uit hare assen
gerukt en weggeslingerd uordt. Stout en krachtig gedacht en gezegd, om
daarmede de woede van den krijg af te beelden, die de aarde schijnt
te willen vernielen j even krachtig zijn de volgende regels. Die
door de kogels deti krijgsknechten uit de hand zijn gerukt; de woorden: uit
de vuist geklonken, voor met een' luiden slag of klank uit de vuist geslagen,
zijn hier zeer schoon. Deze laatste regels zijn het geheele stuk
waardig, en besluiten het op eene wijze, dat de indruk van schrik en
ontzetting, dien de dichter met zijne beschrijving wilde verwekken,
volkomen bereikt wordt. Eindelijk merken wij nog aan, dat soortge-
lijke verzen, als deze, voor de mondelinge voordragt zeer geschikt zijn
en veel uitwerking kunnen doen, als zij goed gedeclameerd worden.