Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
JOAINNKS ANTOMÜES VA?( 1)EU GOES.
Men zet de zeevaart hier op haar' verheven' troon
Elk heeft een nieuwer maar, die andren doet verhazen,
Als had hem Triton (®) met den horen toegehlazen.
Hier weet er een en voert alom het hoogste woord,
Hoe ver 's Lands oorlogsvloot gekruist heeft om den Noord,
Wat kielen op de Sont en 't Baltisch Meer C^) laveren,
Wal schuimers in Algiers en Tunis zamenzweren,
Om weer hunne ooren op te steken als voorheen.
Toen Barharosse op zee gelijk een roe verscheen.
Een' ander' hangt het hoofd en vlammende op gewin,
Vervloekt de haren, en blaast elk kwa tijding in
Een zeestorm op de Oostzee, neerstortende met vlagen ,
Had in een' dwarrelwind de Graanvloot omgeslagen-,
De lucht, van 't onweer zwart gezwollen in 't gezigt
Benam d'ellendigen schipbreukelingen 't licht
Een naauwlijks op een plank het stormgevaar ontkomen.
Verspreidde dit gerucht, en vloekte zee en stroomen.
Maar mist hem deze streek en kan hij op die wijs
Zijn trage koopmanschap niet rijzen doen in prijs.
loop van menschen, als om het brommend geluid van zoo veel door
elkander gemengde stemmen uit te drukken. De laatste regel is op-
merkelijk wegens de klanknabootsende woorden : morren, dommelen (gon-
zen) en (brommen), waarin men het geluid, dat een bijenzwerm
onder het vliegen maakt, meent te hooren. Men kan dit in het de-
clameren zeer goed doen uitkomen, door eenen doffen, eenigzins uit-
gerekt en toon aan die woorden te geven. (®) Men huldigt hier de zee-
vaart. (®) Naam van een' Zeegod in de Romeinsche fabelleer j hij wordt
met een'kinkhoren afgebeeld, waarop de dichter niet onaardig zinspeelt.
(') Ooatzee. (®) Zeeschuimers, zecroovcrs. (®) Twee beruchte steden op
de noordkust van Afrika. Haradijn barearossa, een gevreesd zee-
roover, namaals Koning van Algiers , leefde in de 16de eeuw. (**) Een
ander laat kwansuis het hoofd hangen en veinst zeer bedroefd te zijn. (*-) Om
^ zijne waren te doen rijzen, bedenkt hij de volgende kwade tijding, die
hij nu aan ieder gaat verhalen. T. w. op hare heenreis. De
fjr lucht wordt in dezen regel als persoon voorgesteld, wien het gezigt
is opgezwollen van storm en onweer j eene figuur, geheel in de manier
van antonides. Leven. De koopman geeft namelijk voor, zijn
berigt van dezen vernomen te hebben. Als hem deze list mislukt.