Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
88 GEEltAAKÏ UKANDT.
GEERAART BRANDT werd geboren te Amsterdam den
Julij, 1626, en overleed aldaar den October, 1685.
Hij was Predikant bij de Remonstrantsche Gemeente, eerst te
Nieuwkoop, vervolgens te Hoorn, en eindelijk te Amsterdam.
scheepsbede.
Brandt spande de snaren doorgaans tot bet bezingen van godsdien-
stige en zedekundige onderwerpen, uit welken hoofde wij aan hem
verscheidene stukken van ernstigen en stichtelijken inhoud hebben te
danken. De proeve, welke wij hier van zijnen dichttrant geven, is
eene deftige cn godvruchtige ontboezeming voor den Christelijken Zee-
man, waarin van de goddelijke alomtegenwoordigheid en van de
bewakende en bewarende hand des Heeren, een treffend gebruik wordt
gemaakt,
o 5 Groote God! hoe ver van ons verscheiden ,
Door zoo veel Inchts en hemels tusschenbeiden,
Een God nogtans van ver en van nabij,
Geen onderscheid van plaatsen of van tijden,
Geen land of zee kan ooit uw afzijn lijden :
Waar Gij me vindt, mijn GodI blijf toch bij mij.
Bewaar mij voor het dreigen der gevaren ,
Voor bank, voor klip, voor 't woeden van de baren. —
De Heiland, die de zee als land betrad,
Die al 't geweld der worstelende winden ,
Toen 't onweer wies, met woorden in kon binden,
Stille onze zee en maak' de woestheid mal
Hij hoede ons voor de vijandlijke stranden.
Voor't roovend zwaard, voor pijn van slaafsche banden
Zijn magl zette alle boosheid paal en peil;
(*) Verwijderd. Verdragen; niets kan uwe nabijheid ontberen.
(5) Toespeling op het wandelen van jezus op de zee en de wonderdadige
stilling van den storm, hier fraai bijgebragt. Eene bede, vooral in
de dagen van onzen dichter niet overbodig; de volgende regels zijn
vol van verhevene en godsdienstige dichterlijke denkbeelden.