Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
70 JEREMIAS DE DECKER.
TEGEN DE GULZIGHEID.
Zoo wie zieh Lij den drank van onmaat laat verwinnen ,
Bhjft van zijn long geen voogd, geen meester van zijn zinnen-,
Lapt uit, dat niet en sluit, of niet en luidt zoo 't hoort;
Als soberheid verhuist, zoo moet ook schaamte voort
V 11 IJ H E I D.
't Opregt (*) gemoed is vrij, is zalig en verheven-,
Het onopregt is slaaf ook midden in 't bevel.
De deugd alleen, de deugd doet vrijen vrolijk leven:
Hij leeft, gelijk hij wil P), die niet en wil als wel
GIERIGE MILDHEID,
Op Luciaan.
En wil zoo grooten roem niet van uw^ mildheid dragen:
Gij slacht den angelaar die spilt wat lokkebrood,
Om overvloed van visch te ligten in zijn boot.
Uw giften, Luciaan! zijn niet dan booze lagen :
Gij geeft, om tienmaal meer te krijgen in bezit,
En schiet nooit duiten uil, of daalders zijn uw wit.
Goed gesteld, om de milddadigheid van dezulken in het licht te
plaatsen, die alleen hun eigen voordeel beoogen; de beelden, in dit
stukje voorkomende, zijn juist gekozen.
A M S T E L D A M.
Van masten diene (*) ik mij te lande en op de baren-,
Op masten boude ik stand (-)■, met masten vlot en vlug
(*) Onmatigheid. Matigheid. De laatste regel is spreukachtig eu
nieuw gedacht, en het geheele Puntdicht heeft eene goede strekking.
(*) Het deugdzaam. (-) T. w. van zijne eigene kwade lusten en be-
geerlijkheden. T. w. omdat de zoodanige in den waren zin des
woords vrij is. Inderdaad, dit Puntdicht bevat eene zin- en zaak-
rijke lofrede op de deugd, en treft ons meer dan menige lange rede-
voering, waarin datzelfde onderwerp behandeld is.
(*) Bedien. Amsterdam is grootstendeels, gelijk bekend is, op pa-
len gebouwd. C^) Schepen; hot deel staat hier voor zijn geheel; verder