Boekgegevens
Titel: Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 2: 2
Auteur: Eilers Koch, Johan Rudolph; Eilers, Johan Rudolf
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier en zoon, 1847 *
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1198 D 2
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200004
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: 18XX, Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemlezing uit Nederlandsche dichtwerken
Vorige scan Volgende scanScanned page
70 JEREMIAS DE DECKER.
Ziedaar het wondenbloed, verspreid in twee paar heken ,
Langs hout en armen leken ,
Dat zuiver wondenhloed,
Gestort lot zuivering van ons hesmet gemoed.
Mijn ziele (zeg ik) zie, maar zie meteen uw zonden,
Den oorsprong van zijn wonden
En onvei'diende pijn.
Hier ziet gij wat ze zijn , en wat ze waardig zijn.
TE VROEG OPLiriKENDE BLOEME.
Op de zoo even medegedeelde verhevene verzen volge dit zedekun-
dig gedichtje, buiten kijf het bevalligste en geestigste, dat aan de pen
van DE DECKER ontvlocidc, en daarom steeds als een van de beste
voortbrengselen in deze soort geroemd, Hoe natuurlijk on ongedwongen
weet de dichter nuttige lessen en onderrigtingen uit het voorbarig ont-
luiken van het teeder bloemeke af te leiden !
Teer bloemeke ! zie wat gij doet,
Gij durft het al te ontijdig wagen ^
April heeft ook zijn wintervlagen ,
En geeft nog wel een' witten hoed (-)•,
Gij geeft u al te vaardig bloot,
Daar kan nog wat ontstaan van 't noorden,
't Welk kwetsen kan, ja gansch vermoorden ,
Uw geestig wit en aardig rood.
Beklagen zult gij nog misschien.
Dat gij op de eerste lenteliefde
Druppelen. De aanspraak van den dichter aan zich zeiven is
treffend: liij ziet al die smarten en martelingen, en de zonde, wegens
welke JEZUS zoo bitter moest lijden, treedt hem nu in al hare af-
schuwehjkheid voor den geest.
(*) Dat DE DECKER in dit geheele vers met het bloempje spreekt, en
het dus als persoon voorstelt, is zeer dichterlijk, en hoe lief, hoe
vaderlijk, om het zoo eens tc noemen, is de vermaning, die hij het
bloempje geeft! («) Aardig uitgedrukt voor: geeft nog welcens sneeuv-
of hagelbuijen. (S) Aanvallig, schoon. (*) Een fraai woord: de lente
wordt hier voorgesteld als een persoon, die de bloempjes bemint on ze
duet ontluiken.