Boekgegevens
Titel: Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer
Auteur: Bergh, Laurens Philippe Charles van den
Uitgave: Utrecht: Johannes Altheer, 1836
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1197 C 36
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200001
Onderwerp: Sociologie: folklore, volkskunde: algemeen
Trefwoord: Volksverhalen (teksten), Mythologie, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
>192
])a(ldestoclen komen mij voor tot het heksenwezeu
te behooren, daar zij door de zon vergiftigd v?or-
den en ook wegens den naam; de Eunjer- of Un-
gereijeren zijn thands vergeten. Het is, volgens
Junius, die ze uitvoerig beschrijft 1), eene duin-
plant, die bij het helmgewas groeit en van bijzon-
deren vorm is. De benaming van het booze wezen:
Joost, is waarschijnlijk van den Chineeschen God
Jost, dien onze zeelieden op Java leerden kennen,
ontleend 2).
Gehangen misdadigers bleven eertijds aan de galg
hangen en gaven tot velerlei bijgeloof aanleiding.
Daar zij in het noorden Odins eigendom waren en
de Friesche wetten daarop zinspelen 3), acht ik
ook dit van heidenschen oorsprong.
Het geloof aan verborgene schatten, door drakeu
of geesten bewaakt, dat Herodotus reeds in het
noorden kende 4), heeft vroeger ook hier geheerschf
Junius verhaalt 5), dat de Abtdis van Romerburg
bij Leiden, hem eene plaats getoond had, waar
het nog steeds spookte en waarvan het volk ge-
loofde, dat er een schat begraven lag, door zwarte
geesten bewaakt. Om dezen en andere verborgene
1) Batavia, pag. 217. Behoort de zoogenoemde wolfs-
meik misschien ook. oorspronkelijk tot de tooverkruiden?
2) Deze opheldering ben ik aan den Leidschen Hoogleeraar
Tydeman v^rpligt.
3) Mone, Th. II. S. 82. Hunsingoër Landrecht, bl. 18.
4) Herod. Hist. L.IV. C.i3et27. noemt ze TptJirfC
a-oCpö^asiSf. en Festus de V. S. zegt: dracones incuhantes
thesauris custodiae causa finxerunt antiqui,
5) Batavia , pag. 269.