Boekgegevens
Titel: Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer
Auteur: Bergh, Laurens Philippe Charles van den
Uitgave: Utrecht: Johannes Altheer, 1836
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1197 C 36
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200001
Onderwerp: Sociologie: folklore, volkskunde: algemeen
Trefwoord: Volksverhalen (teksten), Mythologie, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche volksoverleveringen en godenleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
den, die nog niet vei'gaan waren, meestal liei-ken-
en eikenhout, gewoonlijk van geringe dikte , doch
nergens vindt men sporen van beenderen, huisraad
of wapens.
De landzaten vestigden zich of op de kusten, of
op de vlakke landen , waar zij zich terpen ophoog-
den , of hier en daar in de heiden, of eindelijk
op eilanden. Daar de visscherij eene hunner ge-
liefkoosde bezigheden uitmaakte, zochten zij meestal
aan het water te wonen en de moerassige wouden
waren hun van minder nut. Evenwel had men
zich ligt kunnen verbeelden, dat dezen, voor men-
schen ontoegankelijk , juist daarom door de Goden
voor hunne woonplaatsen uitverkoren waren, maar
dezen woonden onder en bij de menschen , en zelfs
werden de beste plaatsen hun toegewijd. Tacitus
beweert wel, dat zij de Goden in geene wanden
besloten en hen in wouden dienden, doch behalve
dat dit niet van alle stammen gelden kan, had
men juist in die wouden de tempels of heiligdom-
men , waarheen het volk, Ijij het vieren der heilige
feesten zamenkwam (l). Waren nu de bosschen
ongenaakbaar, zoo konden de heiligdommen niet
bezocht worden, en daaruit laat zich dit verschijn-
sel, onzes inziens, zeer goed verklaren.
Sporen van Heidendom worden dan ook zeld-
(i) Mone, Gesch, des llekhnth, im nördL Bar, Tli, II.
S, io3.